Kerkliedwiki 5 jaar.png
Kom naar de 11e Kerkliedwiki Schrijfdag op 30 juni in Amersfoort!
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki 5 jaar.png Kerkliedwiki bestaat 5 jaar! Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas.

De 11e Kerkliedwiki Schrijfdag is op 30 juni 2018. Wees welkom en meld je aan: info@kerkmuzieknetwerk.nl

U heeft uw naam, o God en Vader

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
U heeft uw naam, o God en Vader
Dooplied
Vorm Strofelied
Herkomst
Titel Gott Vater, du hast deinen Namen
Taal Duits
Land Duitsland
Periode 1940
Tekst
Dichter Jochen Klepper
Vertaler Titia Lindeboom
Bijbelplaats Johannes 12:28
Johannes 17:11
Metrisch 9-8-9-8
Muziek
Componist Johannes Petzold
Frederikus G. aan het Rot
Gebruik
Thema Doop
Liedbundels
 EG 208   LBW 26 

U heeft uw naam, o God en Vader (Dooplied) is een vertaling van het Duitse lied Gott Vater, du hast deinen Namen. De tekst is geschreven door Jochen Klepper (1903-1942) en vertaald door Titia Lindeboom. De melodie is van Johannes Petzold. Het lied is ook te zingen op de melodie van Frederikus G. aan het Rot, die hij componeerde voor de Klepperberijming Nu heeft mijn hart voorgoed gebroken.

Opname beluisteren

  • Gott Vater, du hast deinen Namen, gespeeld door de Deense pianist Jens Fredborg
  • Audiofragment van de melodie van Frederikus G. aan het Rot
  • De muzieknotatie van de melodie van Frederikus G. aan het Rot is beschikbaar als PDF.

Liedbundels

Het Duitse origineel van het lied staat in het Evangelisches Gesangbuch (EG 208). In Nederland is het in vertaling opgenomen in de bundel Het licht breekt door de wolken.

Tekst

De tekst luidt als volgt:

DOOPLIED

U heeft uw naam, o God en Vader,
verheerlijkt in uw lieve Zoon.
U schonk ons rijkelijk genade,
zo vaak wij knielden voor uw troon.

Roep daarom ook dit kind bij name,
dat ons zo innig toebehoort.
Wij loven U, Drie-enige! Amen!
U gaf ons water, Geest en Woord.

Wilt U ons in uw naam bewaren
zoals uw Zoon heeft afgesmeekt.
Door Geest en Woord en zuiver water
bent U het zélf die tot ons spreekt.

Ontstaan

In augustus 1939 kreeg Jochen Klepper bezoek van de Berlijnse kerkleider Oskar Söhngen en uitgever Kurt Ihlenfeld, die hem ertoe wilden bewegen om nieuwe kerkliederen te schrijven. In zijn dagboek schrijft Klepper over een ‘werkelijk interessant bezoek’, waarin de behoefte aan trouwliederen en aan een dooplied centraal stond. Hoewel de dichter zijn kerkelijke gezangen normaal gesproken niet in opdracht schreef, ging hij in op het verzoek van de heren om een dooplied te schrijven. Dat kwam vermoedelijk tot stand in 1940.
Het sacrament van de doop was belangrijk voor Jochen Klepper. Zijn eigen doopdag hield hij hoog in ere. Steeds weer schrijft hij erover in zijn dagboek, vaak citeert hij daarbij ook zijn dooptekst, Jesaja 43: 1

Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

Jochens Joodse echtgenote Johanna liet zich christelijk dopen in de adventstijd van 1938. Uit volle overtuiging, want een doop zou haar in die tijd niet meer kunnen redden van het schrikregime van de nationaalsocialisten. In juni 1940 deed zijn geliefde stiefdochter Renate hetzelfde. Het is aannemelijk dat Jochen Klepper zijn dooplied heeft geschreven met Renate in gedachten.

Inhoud

Voor Jochen Klepper zijn dopen en namen geven strikt met elkaar verbonden. Al in 1933 vergelijkt hij het schrijfproces met dopen. Dopen is het proces van steeds maar weer nieuwe namen geven aan de dingen.
In zijn dagboek schrijft hij op 18 april:

Schrijven is eindeloos dopen.
Namen geven; namen geven aan al die dingen die reeds een naam hebben en steeds opnieuw gedoopt willen worden, tot zij hun eeuwige naam dragen.
Namen geven aan ouders en kinderen, namen geven aan het landschap, de sterren, namen geven aan het lijden en het strijden, namen aan kwade dingen, namen aan goede dingen.
Dopen. Daar draait het om in het hele schrijfproces.
En dat alles kan begrepen worden vanuit de eigen doop.
Vanuit het bijbelwoord: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.’

Deze gedachten komen terug in het dooplied. In elke eerste regel van de drie coupletten komt het woord ‘naam’ voor.
Het eerste couplet spreekt God de Vader aan, die zijn naam verheerlijkt heeft in zijn lieve Zoon.
In het tweede couplet wordt God gevraagd het kind bij de aardse naam te noemen, voortaan herinnert die naam aan de naam van Jezus. Diens naam wordt over die van het kind heengelegd. Er wordt gedoopt met water, maar water alleen is niet voldoende. Water op zich heeft geen speciale kracht. Pas als het Woord en de Geest er aan worden toevoegd, is het een doop geworden, mag het kind voortaan deelnemen aan de genade van God.
In het derde couplet wordt de vraag gesteld of God het kind wil bewaren. Dopen is daarmee niet een eenmalige gebeurtenis, maar een doorlopend proces. Jochen Klepper verwijst hiermee naar een uitspraak van Luther, dat het christenleven is als een zich voortdurend herhalende doop.

Bronnen

  • ‘Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch’, Heft 8, Reinhard Deichgräber, 2003
  • ‘Onder de schaduw van Uw vleugels’, een selectie uit de dagboeken van Jochen Klepper, 2015

Literatuur

  • 'Jochen Klepper', Marcus Baum, 2011

Externe links =