Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Nu verkrijgbaar: 'Op andere lippen', een cd met liederen bij een afscheid. Lees meer over dit project.

Wil je ons werk financieel steunen? Hier vind je meer over doneren. Heb je vragen over de Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Ik bid U, help mij, o God goedertier

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Ik bid U, help mij, o God goedertier
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode Omstreeks 1566
Psalm 69
Schrijver David (volgens opschrift)
Latijnse titel Salvum me fac
Vulgaat Psalm 68
Berijming Psalmberijming van Petrus Datheen
Tekst
Dichter Petrus Datheen
Bijbelplaats Psalm 69
Metrisch 10-11-11-10-10-11-10-11
Muziek
Componist Loys Bourgeois
Melodie Psalm 51
Solmisatie 3-5-5-6-3-5-5-2-4-3
Gebruik
Kerkelijk jaar Veertigdagentijd
Paastijd
Liedbundels
Bundel van Petrus Datheen 69

Ik bid U, help mij, o God goedertier is een berijming van Psalm 69, deze berijming maakt deel uit van de Psalmberijming van Petrus Datheen. De tekst is van Petrus Datheen, de melodie is afkomstig uit de Geneefse Psalmen.

Opname beluisteren

Tekst

PSALM 69

1
Ik bid U, help mij, o God goedertier;
Want ’t water is tot aan mijn ziel geklommen;
In den onreinen slijk ben ik gekommen,
Daar geen grond is; ik ben verzonken schier.
’t Water zeer sterk trekt mij weg met den vloed;
Mijn keel werdt hees en zal door ’t roepen drogen,
Als ik wachte dat mij God bijstand doet,
Vergaan is mij dat gezicht mijner ogen.

2
Ik heb, och arme, (doch zonder mijn schuld)
Meer vijanden dan ik heb op ’t hoofd haren;
Die om mijn schade te zoeken voortvaren,
Die worden met kracht en rijkdom vervuld.
Alzo moet ik betalen dat ik niet
Hebbe geroofd. Maar Gij bekent, o Heere,
Mijn dwaasheid groot; daarbeneven Gij ziet
Mijn zonden al, die mij mishagen zere.

3
O Heere, Die door Uwe grote macht
De sterkte der heirkrachten kunt doen beven,
Maak dat zij die hen U gans overgeven,
Door mij niet beschaamd worden, noch veracht.
O God, hen die U aanroepen bijstaat,
Dat ze niet beschaamd worden door mijn schaden.
Om Uwes Naams wil ben ik zo gesmaad;
Om Uwentwil ben ik met schand’ beladen.

4
Mijn broeders houden mij als een vreemd man;
Als enen onbekende zij mij achten;
Omdat Uwes huis liefde mij met krachten
Heeft verteerd, en dat ik Uw zaak neem ân.
De smaad der bozen, waarmee dat Gij, Heer’,
Zeer wordt versmaad, is over mij gevallen.
Ik heb altijd gevast, ja, geweend zeer;
Doch was ik daarom bespot van hen allen.

5
Ik heb mij enen zak gegord aan ’t lijf;
Maar zij hebben daarmee den spot gedreven;
Den brassers, die hier zeer hoog zijn verheven,
Ben ik daag’lijks een spot en tijdverdrijf.
Maar ik bid U, o HEER’, gestadiglijk,
Laat mijn gebed U wezen aangename;
Naar Uwe goedigheid genadiglijk,
Sta mij getrouw’lijk bij ter tijd bekwame.

6
Trek mij uit den slijk, tot mij U begeeft,
En laat, o Heer’, mij daarin niet verzinken;
Help mij van mijn haters, niet laat verdrinken
Mij in ’t diep water, ’twelk geen grond en heeft.
Maak dat ik niet versmoor in dezen vloed,
Dat de diepten mij niet te grond’ en trekken;
En dat de kuil hem niet open en doet,
Om mij te verslinden en te bedekken.

7
Uwe genaad’ is vol troost, o HEER’ goed;
Daarom wil nu mijn begeren verhoren;
Wil tegen mij Uwe goedheid oorboren,
En toon mij Uw lieflijk aanschijn zeer zoet.
Wil Uwen knecht Uw aanschijn bergen niet;
Want ik ben vol van angst, niet om doorgronden;
Dies haast U, Heer’, in den nood mij aanziet,
Verhoor toch mijn klagen tot dezer stonden.

8
Maak U op, Heer’, in deze tegenheid,
Om mijn ziele te behouden in ’t leven;
Tot spijt mijner vijanden hoogverheven,
Help mij uit deez’ banden en smadigheid.
U is mijn verachtheid zeer wel bekend,
Mijn schaamt’ en schand’, waar ik in ben versteken;
Mijner vijanden boosheid zonder end,
Is ook voor U openbaarlijk gebleken.

9
’t Harte mij breekt door dezen smaad onvrij;
Ik kwel en ben van iederman verlaten;
Ik wachte (maar vergeefs in aller maten)
Of iemand meed’lijden hadde met mij.
Want als ik lang op hen hebbe gewacht,
’t Is al om niet, genen troost zij mij schinken;
Zij spijsden mij met galle dag en nacht,
En gaven mij niet dan edik te drinken.

10
Maak haar tafel en maaltijden niet klein
Hen tot een strik, ja, dat ze daarvan sterven;
Laat hen altijd dienen tot haar verderven
Haar wellusten en haar vreugden onrein.
Laat haar ogen alzo verblindet zijn,
Dat ze gans niet kunnen zien noch aanschouwen;
Breek hun de lendenen door smart en pijn,
Maak dat haar benen onder hen verflauwen.

11
Stort over hen, Heer’, Uwe toornigheid;
Omring ze met Uw ongenade krachtig;
Dat niemand in haar steden zij woonachtig,
Maar woest blijven tot in der eeuwigheid.
Want de bozen hebben hen niet geschaamd
Hem te kwellen, dien Gij slechts wilt kastijden;
Als Gij iemand tuchtigt, zo ’t U betaamt,
Dien bespotten zij t’zaam met groot verblijden.

12
Vermenig haar zonden, maak ze beschaamd;
Van Uw goedheid laat ze wezen versteken;
Haar naam zij uit ’t boek des levens gestreken,
Laat z’ onder de vromen niet zijn genaamd.
Maar hoewel ik ellendig ben en krank,
Gij zult nochtans mijn Troost en Toevlucht wezen.
Ik zal Uwen Naam loven met gezang;
Met dankbaarheid wordt Gij van mij geprezen.

13
Zulks is den HEER’ dank’lijker t’ aller tijd,
Dan ossen, die klauwen en hoornen dragen;
Dit zullen zien d’ ellendigen verslagen,
En zullen daarin wezen zeer verblijd.
Haar hart zal wederom ’t leven ontvaân;
Want God verhoort de benauwden en armen;
Hij zal Zijn volk ook niet laten vergaan
In den put, maar Hem daarover ontfarmen.

14
Gij hemel en aarde, prijst Zijn goedheid,
Gij zee, en vissen, die in ’t water leven;
Want God wil Hem tot Sions hulp begeven;
Hij zal Juda bouwen in zekerheid.
Daar zullen wonen Godes knechten al,
Ende haar zaad zal alzulks ook beërven;
Eenieder die Gods Naam beminnen zal,
Die zal daar een vrije woning verwerven.

(Psalmberijming van Petrus Datheen)

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Zettingen

Bewerkingen om te zingen

Bewerkingen om te spelen

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Voetnoten

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren.