Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 9.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 9.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Niets is, o Oppermajesteit

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundel(s):
Zangbundel Joh. de Heer 402
Mogelijk staat het ook in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Niets is, o Oppertmajesteit
Psalm 139
Schrijver David (volgens opschrift)
Latijnse titel Domine, probasti
Vulgaat Psalm 138
Berijming Psalmberijming van 1773
Tekst
Dichter Genootschap Laus Deo, Salus Populo
Metrisch 8-8-8-8-9-9
Muziek
Componist Louis Bourgeois
Solmisatie 5-4-3-2-2-3-4-5
Liedbundels
Zangbundel Joh. de Heer 402
Psalmberijming van 1773 139

Niets is, o Oppermajesteit is de beginregel van Psalm 139 in de Psalmberijming van 1773. De Zangbundel Joh. de Heer heeft alleen de eerste en de 14e en laatste strofe (Doorgrond m'en ken mijn hart, o Heer!).

Opname beluisteren

Tekst

1 Niets is, o Oppermajesteit!
Bedekt voor uw alweetendheid.
Gij kent me; Gij doorgrondt mijn daên,
Gij weet mijn zitten en mijn staan.
Wat ik beraad’, of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.

2 G’ omringt mijn gaan en liggen, Gij,
O Heer! zijt altoos nevens mij.
Uw onbepaalde weetenschap
Kent mijnen weg van stap tot stap:
Geen woord is nog mijn tong ontgleeden,
Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.

3 Gij hebt van achtren mij bezet;
Vooruit wordt mij de vlugt belet:
Ik wordt bepaald door uwe hand.
Hoe zou ik met mijn zwak verstand
Naar uwe wondre kennis streeven?
Z’ is mij te groot, te hoog verheven.

4 Waar zou ik uwen Geest ontvliên?
Waar zou m’, o Heer! uw oog niet zien?
Al voer ik op naar ’s hemels trans,
Daar zijt Gij, daar vertoont G’ uw’ glans.
Al daald’ ik zelfs ter helle neder,
Daar vond ik ook uw aanschijn weder.

5 Al nam ik van den dageraad
De vleugelen des lichts te baat:
Al waar’ aan ’t uiterste der zee
De plaats van mijne legersteê,
Daar zoud, ook uwe hand mij leiden,
Uw rechtehand niet van mij scheiden.

6 Indien ik zeg: „de donkerheid
Bedekt mij voor uw majesteit;”
Dan is de nacht een helder licht,
Dat mij ontdekt aan uw gezicht:
Voor U, o Heer! is ’t aaklig duister
Den dag gelijk in glans en luister.

7 Gij hebt mijn gansch gestel doorgrond,
Zelfs voor mijn’ eersten levensstond.
Ik ben verbaazend voortgebragt.
Op ’t nagaan van uw wondre magt,
Sla ik verrukt het oog naar boven:
’k Zal U, mijn’ Schepper, altoos looven.

Pauze

8 Mijn ziel bepeinst uw wonderdaên,
Die al ’t begrip te boven gaan.
Uw oog heeft mijn gebeent’ verzeld,
Toen ik, verborgen, saamgesteld
Als een borduursel, lag verschoolen:
Van mij was niets voor U verhoolen.

9 Gij hebt, wijl niets uw oog weêrhoudt,
Mijn’ ongevormden klomp beschouwd,
Ja Gij, wiens wijsheid nimmer faalt,
Hadt mijn’ geboortestond bepaald.
Eer iets van mij begon te leeven,
Was alles in uw boek geschreeven.

10 Hoe dierbaar zijn m’ uw wonderdaên!
Zij zijn onmooglijk na te gaan.
Hoe menigvuldig zijn z’, o Heer!
Zou ik die tellen? ’k zou veeleer
’t Getal der korlen zands bepaalen.
Uw wondren zijn niet af te maalen.

11 Wanneer ik in den nacht ontwaak,
Ben ik bij U, mijn zielvermaak.
O God! laat door uw groote magt
De boozen worden omgebragt;
Doe, doe hen voor uw’ arm bezwijken.
Gij, bloedvergieters, gij moet wijken.

12 Stellen hunnen hoogmoed perk en paal;
Zij hoonen U door snoode taal;
Z’ ontzien zich niet U t’ allen stond’
Te lasterren met hart en mond:
Daar zij, ten spot van uw vermogen,
Al uwer haatren trots verhoogen.

13 Zou ’k hen niet haaten in mijn hart,
Wie snoode haat uw goedheid tart?
Zou ik hen, die U weêrstand biên,
Niet met verdrietig’ oogen zien?
’k Zal hen altijd volkomen haaten,
Die trotschlijk uwen dienst verlaaten.

14 Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer!
Is ’t geen ik denk niet tot uw eer?
Beproef m’, en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed’;
En doe mij toch met vaste schreden
Den weg ter zaligheid betreeden.

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

De Zangbundel Joh. de Heer heeft pas in de 28e uitgave (1991) strofe 1 en 14 opgenomen.

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren.