Kerkliedwiki bundels.png
Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki verzorgt een wekelijkse podcast: Luistertroost! Onze alternatieve omgang met het kerklied, nu samen zingen in de kerk niet kan. Zo houden we de lofzang en de troost van liederen gaande.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Ontsluit, o Heer, ontvlam ons hart

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Ontsluit, o Heer, ontvlam ons hart
Vorm Strofelied
Herkomst
Titel Erforsche mich, erfahr mein Herz
Taal Duits
Land Duitsland
Periode 18e eeuw
Tekst
Dichter Christian Fürchtegott Gellert
Vertaler Pieter Leonard van de Kasteele
Metrisch 8-7-8-7-8-8-7-8-8-7
Muziek
Componist Christian Gregor (a)
Melodie An Wasserflüssen Babylon (b)
Solmisatie 3-5-1-2-4-3-2-1 (a)
5-6-5-3-5-4-4-3 (b)
Gebruik
Kerkelijk jaar Veertigdagentijd
Liedbundels
Gezangboek voor de EBG 137 (b)
Gezangboek der ELK 59 (a)
Hervormde Bundel 1938 33

Ontsluit, o Heer, ontvlam ons hart is een vertaling van het lied Erforsche mich, erfahr mein Herz van Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769). Ze is van de hand van Pieter Leonard van de Kasteele (1748-1810) en was als gezang 119 opgenomen in de Evangelische Gezangen (1806). Het lied heeft een melodie van Christian Gregor maar kan ook gezongen worden op die van An Wasserflüssen Babylon (melodie).

Opname beluisteren

Tekst

Ontstaan

Inhoud

De tekst uit de Evangelische Gezangen:

1 Ontsluit, o Heer! ontvlam ons hart
En wil ons kracht verleenen!
Wij denken aan uw lijdenssmart,
Aan uwe liefd’ en weenen;
Wat wondren van barmhartigheid
Hebt Gij voor ons ten toon gespreid,
En aan het kruis bewezen!
Uw liefd’ en trouw, die ’t al volbragt,
Hier nooit genoeg door ons herdacht,
Zij eeuwiglijk geprezen!

2 Schoon Gij God zelf, Gods eenge zijt,
Gij in het vleesch gekomen,
Gij hebt, daar Gij voor zondaars lijdt,
De schuld op U genomen.
’t Verraad barst los, de hel genaakt,
De vriendschap slaapt, de woede blaakt,
Gij wordt beangst, verslagen:
„Mijn Vader, zoo het mooglijk zij,
„Och! deze beker ga voorbij!”
Zoo moet de Godmensch klagen.

3 Uw zweet wordt bloed, Gij bukt in ’t stof
Gelijk een worm ter neder;
En Gij, Gij Vorst van ’t hemelhof
Hervat het bidden weder:
Gij voelt, daar onze straf U treft,
En d’ angst der ziele zich verheft,
Uw hart in liefd’ ontbranden;
G’ onttrekt U niet aan onze schuld,
Maar geeft met goddelijk geduld,
U in der boozen handen.

4 Gij Isrels Vorst, Gods eigen Zoon!
Gevangen en gebonden,
G’ ontvangt der overtreedren loon,
En Gij, Gij kent geen zonden;
Men lastert U, Gij groot van moed
Verdraagt en zwijgt; men eischt uw bloed.
Gij laat het willig stroomen.
Om met dat bloed tot God te gaan,
Zijt Gij, met onzen vloek belaân,
In ’t uur des doods gekomen.

5 Verachtelijk ten toon gesteld,
Maar altijd groot van harte,
Verdraagt Gij valschheid, smaad, geweld
En d’ allerwreedste smarte;
Men ziet in U, schoon lang verbeid,
Thans geen gedaant’ of heerlijkheid,
Durft zelfs uw Godheid schennen:
Voor U, wiens trouwe nimmer zwicht,
Verbergt uw vriend zijn aangezigt,
En veinst U niet te kennen.

6 Gij ’t offer, dat aan God behaagt,
Waar op al d’ offers zagen,
Dat naar Gods raad de zonden draagt,
Gij draagt ook onze plagen;
Gij d’ onschuld zelv’, Gij duldt en zwijgt,
Daar Gij voor ons ten kruisberg stijgt,
Gelijk een lam ter slagting:
Gij ondergingt het doodsgeweld,
En duldt, dat U de woede velt,
U, Israëls verwachting.

7 Hoe klimt de nood! zij hebben wreed
Uw hand en voet doorgraven,
En als U dorst, staan zij gereed,
Om U met gal te laven;
Uw smart ontvalmt hun spotternij,
Roept Gij tot God, dan lagchen zij,
Zij lastren uw vertrouwen:
„Hij heeft,” dus wordt uw hoop bespot,
„Hij heeft vertrouwd op zijnen God!
„Wat is nu zijn vertrouwen?”

8 Bij ’t zwijmen van het zonnelicht,
Verlaten van zijn vrinden,
Verbergt Hem God zijn aangezigt,
Waar in Hij troost moet vinden;
Hij riep en zweeg, nu klaagt Hij weêr,
Hij roept, Gij antwoordt niet, o Heer!
Hoor aarde! hoor Hem klagen:
„Mijn God! waarom verlaagt Gij mij?”
De boosheid spot; en Gij, ook Gij,
Mijn God! Gij laat Hem klagen.

9 Ziet heemlen, ziet Gods eengen aan,
Van zijnen God verlaten!
Die smart heb ik Hem aangedaan,
Om mij werd Hij verlaten:
De mensch, die U dien arbeid kost,
Wat is de mensch, dien Gij verlost
Wat hebt G’ in hem gevonden?
Mijn Jezus! ’t is gena’ alleen,
Och! dat ik nooit weêr, als voorheen,
U kruisig’ door mijn zonden!

10 W’ aanbidden U! Gij wankelt niet,
Gij treedt den dood zelfs nader;
En, daar Gods wil aan U geschiedt,
Noemt G’ onzen Regter, Vader:
Gij neigt het hoofd, en ’t aardrijk beeft,
Gij sterft en ’t veege menschdom leeft,
Gij ’t eind der offeranden!
Het voorhang scheurt, de weg staat vrij,
Het is volbragt! de heerschappij
Des doods ligt nu aan banden.

11 Gij sterft, en laat dien troost ons na,
De zonden zijn vergeven;
Gij hebt voldaan op Golgotha,
Dit geeft ons kracht ten leven:
Uw zoendood lenigt onze smart,
Verkwikt, vertroost, versterkt ons hart,
Niets heeft zoo groot een waarde
Uw zoendood zij mijn steun in nood,
Mijn heil in druk, en in den dood
Mijn laatste troost op aarde.

Muziek

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Culturele informatie

Literatuur

Externe links