Kerkliedwiki bundels.png
Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki verzorgt een wekelijkse podcast: Luistertroost! Onze alternatieve omgang met het kerklied, nu samen zingen in de kerk niet kan. Zo houden we de lofzang en de troost van liederen gaande.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Welzalig zijn d' oprechten van gemoed

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundel(s):
 Op Toonhoogte 2015 53   Zangbundel Joh. de Heer 349 
Mogelijk staat het ook in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Welzalig zijn d' oprechten van gemoed
Welzalig zijn d' oprechten van gemoed
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode 1773
Psalm 119
Type Leergedicht
Vulgaat Psalm 118
Berijming Psalmberijming van 1773
Tekst
Bijbelplaats Psalm 119
Metrisch 10-11-10-11-10-11
Muziek
Componist Louis Bourgeois
Melodie Psalm 119
Solmisatie 1-2-3-1-3-5-5-4-3-2
Liedbundels
Op Toonhoogte 2015 53
Zangbundel Joh. de Heer 349
Gezangboek der ELK 269
Hervormde Bundel 1938 Ps 119
Psalmberijming van 1773 119
Op Toonhoogte 31

Welzalig zijn d' oprechten van gemoed is de berijming van Psalm 119 uit de Psalmberijming van 1773. De Zangbundel Joh. de Heer heeft daarvan de strofen 3 ( Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest! ), 5, 17, 53 en 65. Op Toonhoogte 2015 overlapt hier gedeeltelijk mee, heeft niet strofe 5 en 65 maar wel 1, 24, 47 en 84.

Opname beluisteren

Tekst

I. Aleph.

1 Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des Heeren wet betrachten;
Die Hij op ’t spoor der godvrucht wandlen doet:
Welzalig die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem, als ’t hoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.

2 Die, wars van ’t kwaad, niet in de zonde leeft;
Maar zijnen gang bestiert naar ’s Heeren wetten.
Gij, groote God, die ons bevelen geeft,
Gij eischt, dat w’ op uw woord gestadig letten,
En dat w’ ons hart, aan uwen wil verkleefd,
Geduuriglijk op uwe wegen zetten.

3 Och schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest!
Mogt die mij op mijn paên ten leidsman strekken!
’k Hield dan uw wet, dan leefd’ ik onbevreesd:
Dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerkend waar’ geweest,
Hoe uw geboôn mij tot uw liefde wekken.

4 Ik zal, oprecht van hart, uw’ naam, o Heer!
Gestaâg den roem van uwe grootheid geeven:
Als ik ’t gezag en ’t heilig oogmerk leer
Van ’t vlekloos recht, door uwe hand beschreeven.
’k Zal uw geboôn bewaaren tot uw eer;
Verlaat mij toch niet ganschlijk in dit leven.

II. Beth.

5 Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheên omsingeld, rein bewaaren?
Gewis, als hij het houdt naar ’t heilig blad.
U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staaren:
Laat mij van ’t spoor, in uw geboôn vervat,
Niet dwaalen, Heer; laat mij niet hulploos vaaren.

6 ’k Heb in mijn hart uw rede weggelegd,
Opdat ik mij mogt wachten voor de zonden:
Gij zijt, o Heer! gezegend; leer uw’ knecht
Door ’t godlijk woord, een helder licht bevonden,
En door uw’ Geest, al d’ eischen van uw recht:
Zoo wordt uw eer nooit stout door mij geschonden.

7 ’k Heb andren al de rechten van uw’ mond
Met lust verteld, hen vlijtig onderweezen:
Uit al den schat van ’t groote weereldrond
Is nooit die vreugd in mijn gemoed gereezen,
Die ’k steeds in uw getuigenissen vond,
Door mij betracht, en andren aangepreezen.

8 Ik zal, o God! bepeinzen uwe wet,
In ’t onderzoek van uw bevelen waaken;
Terwijl mijn ziel op uwe paden let.
In uw geboôn zal zich mijn geest vermaaken,
En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed,
Uw heilig woord vergeeten, noch verzaaken.

III. Gimel.

9 Doe bij uw’ knecht weldaadigheid, o Heer!
Opdat ik leev’, uw woorden moog’ bewaaren,
En dat uw Geest mij waare wijsheid leer’,
Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaaren;
Dat mijne ziel de wondren zie en eer’,
Die in uw wet alom zich openbaaren.

10 Ik ben, o Heer! een vreemdling hier beneên;
Laat uw geboôn op reiz’ mij niet ontbreeken,
Daar mijne ziel, omringd door duisterheên,
Zoo dikwijls van verlangen is bezweeken,
Om U te zien ter hooge vierschaar treên,
Tot straf van hun, die snood zijn afgeweeken.

11 Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij,
Gewend zoo wijd van uw geboôn te dwaalen.
Dat toch uw gunst mijn ziel van smaad bevrij’,
Die op mijn hoofd verachtlijk neêr zou daalen;
Daar ’k U mijn’ dienst, naar uw getuignis, wij’,
Om nooit uw straf mij op den hals te haalen.

12 Wanneer ik zelfs door vorsten werd betigt,
In ’t hoog gestoelt op uwen knecht gebeeten,
Heb ik mijn’ weg naar uw geboôn gericht,
En die betracht met een oprecht geweeten;
Ook waren zij mijn raadsliên en mijn licht;
’k Heb, met vermaak, mijn’ tijd daarin gesleeten.

IV. Daleth.

13 Hoe kleeft mijn ziel aan ’t stof! ai! zie mijn’ nood;
Herstel mij, doe mij naar uw woord herleeven.
’k Lei voor uw oog mijn’ weg en handel bloot;
En welk een angst mij immermeer deed beeven,
Gij hebt verhoord; maak voorts uw weldaên groot,
En laat uw wet mij onderrichting geeven.

14 Och! dat ik klaar en onderscheiden zag,
Hoe ’k mij naar uw bevelen moet gedraagen,
Uw wondren recht betrachten dag aan dag!
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klaagen:
Ai! richt mij op, verander mijn geklag;
Wil naar uw woord mij gunstig onderschraagen.

15 Weer snood bedrog, o God! van mijn gemoed;
Laat uw genaê mij uwe wetten leeren:
Ik kies den weg der waarheid voor mijn’ voet,
Om mij van ’t pad der zonden af te keeren:
Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,
Steld’ ik mij voor; die wil ik needrig eeren.

16 Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd;
Het zal op uw getuigenissen hoopen:
Beschaam mij niet, wil mij, in U verheugd,
Tot uwe vreez’, o Heer! gestadig noopen.
Als Gij mijn hart verwijdt door waare vreugd,
Zal ik het pad van uw geboden loopen.

V. He.

17 Leer mij, o Heer! den weg, door U bepaald,
Dan zal ik dien ten einde toe bewaaren;
Geef mij verstand, met godlijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op uwe wetten staaren;
Dan houd’ ik die, hoe ligt mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich ’t hart met mijne daaden paaren.

18 Doe mij op ’t pad van uw geboden treên;
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai! neig mijn hart en vuurig zielverlangen,
O Heer! naar uw getuigenis alleen:
Laat gierigheid mij in haar’ strik niet vangen.

19 Wend, wend mijn oog van d’ ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door uwe wegen;
Dat mij ’t betreên dier paden vreugd verschaff’:
Bevestig toch aan uwen knecht den zegen,
Waartoe uw woord hem blijde hoope gaf;
Hij is oprecht tot uwe vreez’ geneegen.

20 Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees;
Uw rechten, Heer, zijn goed en vrij van vlekken,
Waarom ik die gestaâg als heilig prees:
Zie al mijn’ lust tot uw bevel zich strekken.
Och! dat er kracht en leven in mij reez’!
Wil die door uw gerechtigheid verwekken.

VI. Vau.

21 Dat mij, o Heer! uw goedertierenheid
Toch overkoom’, naar uw beloftenissen;
Dan geef ik aan mijn’ smaader juist bescheid;
Dan zal hij op zijn’ schimp geen antwoord missen;
Want ik vertrouw op ’t woord, mij toegezeid:
Geen leed zal ’t ooit uit mijn geheugen wisschen.

22 Ai! ruk het woord der waarheid niet te zeer,
Van mijnen mond; ik hoop op uwe rechten,
Waarin Gij trouw gezorgd hebt voor uw eer;
Dan houd ik steeds, o God! met al uw knechten,
Uw heilge wet; dan zal ik meer en meer
Daar eeuiwg en altoos het hart aan hechten.

23 Dan wandel ik vol moeds op ruimer baan,
Omdat mijn ziel gezocht heeft uw bevelen;
Dan doe ik zelfs aan koningen verstaan,
Hoezeer mij uw getuigenissen streelen;
Dan zal ik mij niet schaamen, noch uw daên
Uit slaafsch ontzag of dwaaze vreez’ verheelen.

24 ’k Zal uw geboôn, die ik oprecht bemin,
Mijn hoogst vermaak, mijn zielgenoegen achten;
Ik reeken die mijn allergrootst gewin;
Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;
Ik heb ze lief, en zal met hart en zin,
Al ’t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.

VII. Zain.

25 Gedenk aan ’t woord, gesprooken tot uw’ knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeeven:
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;
Dit leert mijn ziel U achter aan te kleeven;
Al ’t geen uw mond aan mij had toegezegd
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

26 ’t Hovaardig volk heeft mij op ’t felst bespot;
’k Ben echter niet van uwe wet geweeken:
Ik dacht, o Heer! aan hun rampzalig lot,
En uw gericht, van ouds af reeds gebleeken;
Hoe kort van duur is al het aardsch genot!
’k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweeken.

27 Daar ik moet zien, hoe snoodaarts uwe wet
Verlaaten, heeft beroering mij bevangen;
Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet,
Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen;
In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet,
Wat nijpend leed daar mijn gemoed mogt prangen.

28 ’k Heb, Heer, des nachts aan uwen naam gedacht;
Uw wet bewaard; uw deugden niet vergeeten:
Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebragt,
En zooveel tijds heb ik met vreugd gesleeten,
Omdat ik uw bevelen nam in acht,
En die bewaard’ in een oprecht geweeten.

VIII. Heth.

29 De Heer is mijn genoegzaam deel, mijn goed;
Ik heb gezegd: ik zal uw woord bewaaren:
’k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed,
Dat zich uw heil aan mij mogt openbaaren:
Wees naar uw woord genadig; ai! behoed,
Behoed uw’ knecht, en red hem uit gevaaren.

30 Ik heb bedaard mijn wegen nagezien;
Mijn’ voet gekeerd tot uw getuigenissen,
En mij gehaast die paden in te slaan,
Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen:
’k Heb niet vertraagd, om, op die effen baan,
Het doel van uw geboden niet te missen.

31 Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld;
Nochtans heb ik uw wetten niet vergeeten;
Ter middernacht heb ik uw’ lof vermeld;
Dan sta ik op, om met een blij geweeten
Het recht, dat uw gerechtigheid verzelt,
Tot uwen roem, ten breedsten uit te meeten.

32 Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
Van allen, die uw’ naam ootmoedig vreezen,
En leeven naar uw goddelijk bevel.
O Heer! hoe wordt uw goedheid ooit volpreezen!
Gij doet op aard aan alle schepslen wel:
Och! wierd ik in uw wetten onderweezen!

IX. Teth.

33 Gij hebt veel goeds bij uwen knecht gedaan;
Hem, naar uw woord, gered uit al zijn nooden;
Leer mij, o Heer! een’ goeden zin verstaan,
En wetenschap, der dwaazen waan ontvlooden:
Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan,
Naardien ik heb geloofd aan uw geboden.

34 ’k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in;
Maar nu, geleerd, houd ik uw woord en wegen.
Wat zijt Gij goed! wat schenkt uw menschenmin
Aan ieder, die U vreest, al milden zegen!
Leer mij uw wet in haaren rechten zin,
En maak mijn hart tot uw geboôn geneegen.

35 ’t Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij;
Doch ik bewaar van harten uw bevelen:
Hun hart is vet als smeer, vol hovaardij;
Dies zullen zij in uwe gunst niet deelen:
Maar uwe wet, waarin ik mij verblij,
Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen streelen.

36 ’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest,
Opdat ik dus uw godlijk recht zou leeren;
Sints heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd;
Ai! doe mij steeds uw’ wil als heilig eeren:
Ver boven goud, en zilver, en wat meest
Den mensch bekoort, zal ik uw wet waardeeren.

X. Jod.

37 Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid;
Ai! maak mij ook verstandig in uw wetten;
Zoo leer ik uw geboôn en heiligheid;
Al wie U vreest, zal op mijn’ heilstaat letten,
Verheugd, dat ik, door uwe hand geleid,
Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mogt zetten.

38 Ik weet, o Heer! dat uw gerichten zijn
Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken
Uit enkle trouw. Och! dat uw gunst veschijn’,
Om mij uit angst en nijpend leed te rukken:
Troost ij, uw’ knecht, die nu angstvallig kwijn;
Mij is die troost beloofd in ongelukken.

39 Breng over mij al uw barmhartigheên,
Opdat ik leev’; want al mijn vergenoegen,
Al mijn vermaak is in uw wet alleen.
Beschaam, die zoo hovaardig zich gedroegen,
Wier leugentong zoo valsch mij heeft bestreên;
Doch ik wil mij naar uw geboden voegen.

40 Dat ieder, die U vreest, zich tot mij keer’,
Die kundig is in uw getuigenissen:
Maak, dat mijn hart oprecht uw lessen eer’;
Dat niets die ooit uit mijne ziel moog’ wisschen:
Opdat ik niet beschaamd word’, laat, o Heer!
Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.

XI. Caph.

41 Mijn ziel bezwijkt, zij is gansch afgemat;
Daar z’ aan uw heil met al haar’ lust blijft hangen,
Waarop uw woord mij hoop gegeeven had:
Mijn oogen zijn bezweeken van verlangen
Naar ’t geen mij was beloofd, terwijl ik bad:
„Wanneer, o God! zal ik uw’ troost ontvangen?”

42 Ik ben, helaas! een’ leedren zak gelijk,
Die al zijn vocht heeft in den rook verlooren;
Hoewel ik niet van uwe wetten wijk’.
Hoe lang blijft nog uw’ knecht dit leed beschooren?
Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk’,
Hen rechten, die mijn rust, uit wrevel, stooren?

43 Een listig volk heeft, boos en trotsch van aart,
Tot mijnen val een’ diepen put gegraaven;
Hoezeer uw wet daar tegen zich verklaart.
Al uw geboôn zijn waarheid; ’k wil die staaven.
Ik word vervolgd, met leugentaal bezwaard:
Help mij, o Heer! ten spijt dier zondeslaaven.

44 Zij hebben mij bijkans op aard vernield,
Maar ik bleef uw bevelen dierbaar achten.
Ai! beur mij op, laat mij, met moed bezield,
Weêr leeven, en op uwe goedheid wachten:
Dan zal ik steeds, daar mij uw trouw behield,
’t Getuigenis van uwen mond betrachten.

XII. Lamed.

45 O Heer! uw woord bestaat in eeuwigheid,
Daar ’t hemelheir zich schikt naar uw bevelen;
In uwe trouw, zoo gunstig toegezeid,
Zal elk geslacht, ja ’t eind der eeuwen deelen:
Deez’ aard is hecht door uwe hand bereid:
Haar stand blijft vast, al wislen haar tooneelen.

46 De hemel blijft nog met den aardkloot staan,
Naar uw bevel; zij alle zijn uw knechten.
Ik waar’ reeds lang in mijnen druk vergaan,
Indien ik mij met uwe wet en rechten,
Tot mijn vermaak en troost, niet had beraên,
Om aan uw trouw alleen mijn hoop te hechten.

47 ’k Ben eeuwiglijk gedachtig aan uw woord;
Want ik ontving door uw bevelen ’t leven:
’k Ben d’ uwe, Heer, geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar ’t woord aan mij gegeeven:
Ik heb met lust uw wetten nagespoord,
En die gezocht, door uwen Geest gedreeven.

48 Der boozen schaar heeft lang op mij gewacht,
Om mij te doen vergaan in mijn ellenden.
Ik neem op uw getuigenissen acht.
Waar ik het oog op aarde heen moog’ wenden,
’t Volmaaktste vindt een eind, en derft zijn kracht,
Maar uw gebod is wijd, en zal nooit enden.

XIII. Mem.

49 Hoe lief heb ik uw wet! het is mijn doel
Den ganschen dag haar ijvrig te betrachten.
Hoe listig ook mijn snoode vijand woel’,
’k Heb wijzer geest en edeler gedachten
Door uw geboôn, wier kracht ik staâg gevoel,
Die ’k eeuwig zal met heilgen eerbied achten.

50 Ik overtref mijn leeraars in beleid,
Want ik betracht al uw getuigenissen:
Ik overtref zelfs in voorzichtigheid
De grijzaarts, die de waare godvrucht missen:
’k Bewaard’ uw wet, die zulk een licht verspreidt,
En van mijn heil mij best kan vergewissen.

51 Ik heb mijn’ voet geweerd van kwaade paên,
Opdat ik steeds uw woord zou onderhouden:
’k Heb mij gewacht die wegen in te slaan,
Die mij van ’t spoor der deugd verbijstren zouden;
Want Gij hebt mij geleerd daarin te gaan
Met allen, die op uwen naam betrouwden.

52 Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest!
Geen honig kon ’t gehemelt beter smaaken:
Alleen door uw bevelen krijgt mijn geest
Verstand van God en goddelijke zaaken.
Dies heb ik al de leugenpaên gevreesd;
En zal bedrog en slinkse wegen wraaken.

XIV. Nun.

53 Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht’, om ’t donkere op te klaaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed
Bevestigen, in al mijn levensjaaren,
Dat ik uw wet, die heilig is en goed,
Door uw genaê bestendig zal bewaaren.

54 Ik ben op ’t diepst verdrukt; ai! schenk mij, Heer,
Vernieuwde kracht, sterk naar uw woord mijn leven.
Merk op in gunst, mijn God, hoe ik U eer’;
Hoe hart en mond vrijwillig offers geeven:
Ai! zie daarop met welgevallen neêr;
Laat in mijn hart uw rechten zijn geschreeven.

55 Mijn ziel is in mijn hand, steeds in gevaar;
’k Verlies nochtans uw wet niet uit mijn oogen.
Zij blijft mijn doel; en, schoon een booze schaar
Mij strikken heeft gelegd door list en logen,
Ben ik van uw bevelen hier of daar
Niet afgedwaald, noch tot hun kwaad bewoogen.

56 Ik heb voor mij al uw getuigenis,
Ter eeuwig’ erv’, volvaardig aangenoomen,
Naardien mijn hart daardoor vervrolijkt is:
Ik heb gepoogd mijn lusten in te toomen,
En ’t hart geneigd, om eeuwig en gewis,
Ten einde toe, uw wetten naar te komen.

XV. Samech.

57 ’k Haat ranken, vol van kwaad’ en bittre vrucht;
Maar ik bemin met al mijn hart uw wetten:
Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlugt;
Gij kunt en wilt mijn’ ondergang beletten:
’k Vertrouwd’ op U, en ’t blijft nog staâg mijn zucht,
Om op uw woord mijn vaste hoop te zetten.

58 Gij boozen, wijkt, opdat ik steeds ’t gebod
Van mijnen Heer naauwkeurig moog’ bewaaren.
Schraag mij naar uw beloften, o mijn God!
Opdat ik leev’, U loovend’ op mijn snaaren;
Dat niemand mijn verwachting ooit bespott’;
Ai! laat die mij toch nooit beschaamdheid baaren.

59 Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed,
Mij dag aan dag in uw geboôn vermaaken;
Maar Gij, o Heer! die mij behoudt, vertreedt
En stoot hen weg, die uwe wet verzaaken:
Want hun bedrog is leugen, ’t is gesmeed
Tot mijn verderf, maar ’t zal hen zelv’ genaaken.

60 Al ’t godloos volk verdoet G’ als schuim van d’ aard,
Dies zal ik uw getuigenissen vreezen.
Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,
Ja zelfs is mij het hair te berg’ gereezen,
Als ik op uw gerichten heb gestaard:
Uw oordeel, Heer, kan niet dan vreeslijk weezen.

XVI. Hajin.

61 Gerechtigheid en recht heb ik gedaan,
Geef mij dan niet in ’s onderdrukkers handen:
Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aan
Van uwen knecht, daar Gij hem aan ziet randen;
Laat trotsaarts toch niet stoutlijk meer bestaan
Mij, naar hunn’ wensch, te knellen in hun banden.

62 Mijn oogen zijn bezweeken, rood geschreid,
In ’t uitzien naar uw heil met heet verlangen,
Het heil aan mij rechtvaardig toegezeid;
Ai! wisch dan toch de traanen van mijn wangen.
Doe bij uw’ knecht naar uw goedgunstigheid;
Leer mij uw wet, dan zal ik troost ontvangen.

63 Ik ben uw knecht, geef mij dan recht verstand,
Zoo zal ik uw getuigenissen leeren.
Nu is het tijd, dat ’s Heeren rechtehand
Haar kracht vertoon’, in ’t godloos kwaad te weeren:
Men schendt uw wet zoo stout van alle kant;
Men schroomt niet meer uw’ grooten naam t’ onteeren.

64 ’k Heb uw geboôn, mijn God, dies meer dan goud,
Ja ’t fijnste goud, bemind, en uw bevelen
In alles recht en vlekkeloos geschouwd,
Op ’t hoogst volmaakt tot in hun minste deelen:
’k Heb op geen pad der valsheid mij betrouwd,
Maar dat gehaat, hoezeer ’t mijn vleesch kon streelen.

XVII. Pe.

65 Hoe wonderbaar is uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaaren:
Want d’ oopning van uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaaren;
Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis
Van zulk een’ glans een’ eeuwgen nacht zou baaren.

66 Ik heb mijn’ mond begeerig opgedaan,
Ik heb verlangd, gehijgd naar uw geboden;
Zie, zie mij dan met gunstig’ oogen aan,
En wees mij nu genadig in mijn nooden,
Naar ’t recht van hun, die deugdzaam van bestaan,
Uw liefde tot uw’ naam van ’t kwaade vlooden.

67 Maak in uw woord mijn’ gang en treden vast,
Opdat ik mij niet van uw paên moog’ keeren:
En wordt mijn vleesch door ’t kwaade ligt verrast,
Ai! laat het mij toch nimmer overheeren;
Verlos mij, Heer, van ’s menschen overlast,
Dan zal ik U, naar uw bevelen, eeren.

68 Uw aangezicht vertoon’ aan uwen knecht
Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteeken;
Leer mij den eisch van ’t altoos heilig recht.
Ik stort bedrukt geheele traanenbeeken,
Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt,
En zich niet schaamt uw wetten te verbreeken.

XVIII. Tsade.

69 Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer:
Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten;
Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer.
Gij eischt van ons, dat w’ op uw waarheid letten;
Dat wij altoos op hoogen prijz’ uw leer
En ’t heilig recht van uw getuignis zetten.

70 Mijn ijver heeft van smert mij doen vergaan,
Omdat uw woord zoo schandlijk wordt vergeeten;
Mijn vijand ziet dat met verachting aan:
Uw woord is rein, dat mag gelouterd heeten;
Uw knecht wil zich daar daaglijks meê beraên;
Hij heeft het lief, wijl ’t hem zijn’ pligt doet weeten.

71 Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid;
’k Vergeet in smaad noch armoê uw bevelen.
Uw recht, o Heer! is recht in eeuwigheid;
Gij zult aan elk zijn loon of straffen deelen.
Uw wet, waarin zich steeds uw glans verspreidt,
Kan mij door ’t licht der zuivre waarheid streelen.

72 Als ’t mij benaauwd of bang gevallen is,
Dan heb ik mij vermaakt in uw geboden.
De zuiverheid van uw getuigenis
Blinkt altoos uit, zelfs in de zwaarste nooden:
Leer mij ’t verstaan, zoo leeft mijn ziel gewis,
Het naar verderf in eeuwigheid ontvlooden.

XIX. Koph.

73 Ik riep U aan, o Heer! met al mijn hart;
Verhoor mij, en ik zal uw wet bewaaren:
Ik riep U aan, in druk en leed verward;
Verlos mijn ziel uit angsten en gevaaren;
Dan houd ik uw getuignis, en in smart
Zal ik daar troost en wijsheid uit vergaêren.

74 Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht
Verrast, om U mijn schreien te doen hooren;
’k Heb op uw woord gehoopt, en mijn gezicht,
Eer nog het uur der nachtwaak was gebooren,
Den slaap ontroofd, om naar mijn’ lust en pligt,
De wijsheid van uw reednen na te spooren.

75 Hoor, Heer, mijn stem naar uw goedgunstigheid,
En geef mij naar uw rechten kracht en leven.
Zij naadren mij, wier list mijn’ val bereidt;
Zij zijn in ’t kwaad, in ’t listig kwaad bedreeven,
En wijken van uw wet, zoo wijd verleid,
Terwijl zij zich aan boosheid overgeeven.

76 Maar, Heer, Gij zijt nabij, Gij ziet mij aan;
De waarheid is aan uw geboôn verbonden;
Ik wist van ouds reeds uit uw woord en daên,
Dat al, wat Gij getuigd heb, ongeschonden
En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan,
Gevestigd op onwankelbaare gronden.

XX. Resch.

77 Zie mijn ellend’, o Heer! en help uw’ knecht;
Want uwe wet is in mijn hart geschreeven.
Ai! twist Gij zelf mijn twistzaak naar uw recht;
Verlos mij, sterk met nieuwen moed mijn leven,
Naar ’t godlijk woord, mij gunstig toegezegd,
En mij ten troost, in angst en druk, gegeeven.

78 Het heil is ver van ’t goddeloos geslacht;
Dat, gansch vervreemd van deugd en reine zeden,
Den inhoud van uw wetten niet betracht.
O Heer! hoe veel zijn uw barmhartigheden!
Ai! beur mij op, vernieuw mijn levenskracht,
Naar ’t godlijk recht, verhoor toch mijn gebeden.

79 ’t Getal van mijn vervolgers is zeer groot,
Van hun, die mij als weêrpartijders haaten:
Maar ’k wijk van uw getuignis in geen’ nood.
Ik heb gezien, hoe zij, die U vergaten,
Trouwloosheid doen; Gij weet, hoe ’t mij verdroot,
Als ik hen zal uw heilig woord verlaaten.

80 Ai! zie, o Heer! dat ik uw wet bemin;
Uw gunst vernieuw’ mijn leven en mijn krachten.
Uw godlijk woord is waarheid van ’t begin;
Uw recht heeft nooit verandering te wachten;
Dies houd ik dat met een’ verblijden zin;
Leer door uw’ Geest mij dat gestaâg betrachten.

XXI. Schin.

81 Toen vorsten mij vervolgden zonder reên,
Vreesd’ ik uw woord, met die uw heil beminden.
Ik ben verblijd om uw goedgunstigheên,
Die meer en meer mij aan uw’ dienst verbinden;
’k Vind grooter vreugd in uw beloft’ alleen,
Dan hij, die ooit een’ grooten buit mogt vinden.

82 Ik haat bedrog en valsheid van gemoed,
’k Heb in mijn hart een’ grouwel van die zonden:
’k Bemin uw wet, die mijne ziel behoedt.
Ik loof, o Heer! aan uwen dienst verbonden,
U zevenmaal des daags, om al het goed
En ’t recht, in uw gerechtigheid gevonden.

83 Wat vreê heeft elk, die uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen’ hinderpaal zich stooten.
Ik, Heer, die al mijn blijdschap in U vind,
’k Doe uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdrooten.

84 Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief, ook doe ik uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss’,
Door zijnen smaak, en hart en zinnen streelen.
Gij weet mijn’ weg, en hoe mijn wandel is;
’k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verheelen.

XXII. Thau.

85 O Heer! sla toch op mijn geschrei uw oog;
Wil naar uw woord mijn’ geest verstandig maaken;
Zie gunstig op mij neder van omhoog;
Laat mijn gebed voor uwen troon genaaken:
Red, daar mij ’t leed zoo diep ter neder boog,
Red mij naar uw beloft’, en richt mijn zaaken.

86 Dan vloeit mijn mond steeds over van uw eer,
Gelijk een bron zich uitstort op de velden.
Wanneer ik door uw’ Geest uw wetten leer,
Dan zal mijn tong uw redenen vermelden;
Want uw geboôn zijn waarlijk recht, o Heer!
Gij zult de vlijt van die U zoekt vergelden.

87 Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt,
Heeft uw bevel met lust en liefd’ ontvangen.
Ik haak, o Heer! naar ’t heil, mij toegezeid;
Bestier in gunst naar uwe wet mijn gangen;
Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,
In uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen.

88 Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp: stier mij in rechte spooren:
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond,
Dat, onbedacht, zijn herder heeft verlooren.
Ai, zoek uw’ knecht, schoon hij uw wetten schond;
Want hij volhardt naar uw geboôn te hooren.

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

In het ELK (nr. 269) zijn slechts de strofen 1, 3 en 17 opgenomen.

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje.
Voor meer beginnetjes zie de categorie Kerkliedwiki:Beginnetje lied