Kerkliedwiki bundels.png
Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki bevat nu informatie over ruim 4.500 liederen! Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas.

De eerstvolgende Kerkliedwiki Schrijfdag is op zaterdag 30 maart in Amersfoort. Aanmelden of meer weten over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Wilhelmus van Nassouwe

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilhelmus van Nassouwe
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode 16e eeuw
Tekst
Dichter Philips Marnix van St. Aldegonde
Vertaler Redactie Friese Lieteboek (Fr)
Metrisch 7-6-7-6-7-6-7-6
Muziek
Melodie Wilhelmus
Herkomst 16e eeuw/Valerius’ Neder-landtsche gedenck-clanck 1626/bewerkt
Solmisatie 5-1-1-2-2-3-2
5-1-1-2-3-4-2-3-2
Gebruik
Trefwoord Bevrijdingsdag
Liedbundels
Liedboek 2013 708
Liedboek voor de kerken Gezang 411
Gezangen voor Liturgie 549
Oud-Katholiek Gezangboek 964
Zangbundel Joh. de Heer 672
 H1938 301   LB Fr 708   LD 1135   RSB 394 

Wilhelmus van Nassouwe is een lied uit de 16e eeuw. De dichter is Philips Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598). De componist is onbekend, het lied verscheen bewerkt in Valerius' Neder-landtsche Gedenck-Clanck in 1626. Het Wilhelmus is sinds 1932 het nationale volkslied van Nederland.

Opname beluisteren

  • Wilhelmus:
  • Kroning Koning Willem Alexander:
  • Naar de wijze van Chartres
  • 4e variant:
  • Henk Lemckert op Orgel Abdijkerk van Loosduinen C.F. in sopraan (www.liedboekzettingen.nl)

Tekst

Tegenwoordige tekst:

Originele tekst:

Eerste couplet
Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij, onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

Tweede couplet
In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

Derde couplet
Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

Vierde couplet
Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.

Vijfde couplet
Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.

Zesde couplet
Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik toch vroom mag blijven,
uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Zevende couplet
Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verrassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

Achtste couplet
Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

Negende couplet
Na 't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.

Tiende couplet
Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

Elfde couplet
Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

Twaalfde couplet
Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

Dertiende couplet
Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.

Veertiende couplet
Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan.

Vijftiende couplet
Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

Eerste couplet
Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duytschen Bloedt,
Den Vaderland ghetrouwe
Blijf ick tot inden doet;
Een Prince van Orangien
Ben ick vry onverveert.
Den Coninck van Hispangien
Heb ick altijt gheeert.

Tweede couplet
In Godes vrees te leven
Heb ick altijt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Land, om Luyd ghebracht:
Maer Godt sal my regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick sal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Derde couplet
Lijdt U, mijn Ondersaten,
Die oprecht zijn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven,
Bidt Godt nacht ende dach.
Dat Hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Vierde couplet
Lijf ende goed al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders, hooch van Namen,
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven,
In Vrieslandt in den Slach,
Sijn siel int eewich leven
Verwacht den jonghsten dach.

Vijfde couplet
Edel en Hooch gheboren
Van Keyserlicken stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren,
Als een vroom Christen-man,
Voor Godes Woort ghepreesen,
Heb ick vrij onversaecht,
Als een helt zonder vreesen
Mijn edel bloet gewaecht.

Zesde couplet
Mijn schilt ende betrouwen
Zijt ghy, O Godt, mijn Heer.
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet my nimmermeer;
Dat ick doch vroom mag blijven
U dienaer t'aller stond
Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Zevende couplet
Val al die my beswaren,
End mijn vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verasschen
In haeren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Achtste couplet
Als David moeste vluchten
Voor Saul den tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich edelman:
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israël, seer groot.

Negende couplet
Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt, mijn Heer, dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn vorstelick ghemoet,
Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren, in dat velt,
Een eeuwich rijk verwerven
Als een ghetrouwe helt.

Tiende couplet
Niets doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks landen goet,
Dat ud de Spaengiaerts crencken,
O edel Neerlandt soet,
Als ick daeraen ghedencke,
Mijn edel hert dat bloet.

Elfde couplet
Als een Prins opgheseten
Met mijnes heyres cracht,
Van den tyran vermeten
Heb ick den slach verwacht,
Die, by Maestricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt;
Mijn ruyters sach men draven
Seer moedich door dat velt.

Twaalfde couplet
Soo het den wil des Heeren
Op die tijt had gheweest,
Had ick geern willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert,
Die men altijt moet loven,
En heeftet niet begeert.

Dertiende couplet
Seer christlick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat Hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen oircont.

Veertiende couplet
Oorlof mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noot.
U Herder sal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit:
Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

Vijftiende couplet
Voor Godt wil ick belijden
End sijner grooter macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere,
Der hoochster Majesteyt,
Heb moeten obedieren,
In der gherechticheyt.

Ontstaan

De melodie is afkomstig van het spotlied Autre chanson de la ville de Chartres assiégée par le prince de Condé, dat werd gezongen tijdens het beleg van de stad Chartres door de Hugenoten in 1568.

De herkomst van de tekst is niet met zekerheid bekend. Hierover bestaan verschillende theorieën. Het Wilhelmus is een geuzenlied en de meeste teksten van geuzenliederen waren anoniem, omdat op het maken van opstandige liederen destijds de doodstraf stond. Het lied zelf wordt niettemin vaak toegeschreven aan Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, maar concrete bronnen hiervoor ontbreken. In een scriptie van historica Gudrun Dekker-Schwichow (Rijksuniversiteit Groningen) uit 2008 wordt Marnix' auteurschap bevestigd op basis van muzikale en tekstuele parallellen van drie andere liederen van zijn hand. Marnix was dichter en een intimus van prins Willem. Hij had gestudeerd bij Calvijn in Genève, en het Wilhelmus draagt daarvan de sporen. De oudste aanwijsbare vermelding van het lied dateert uit de periode van het beleg van Haarlem en Dekker-Schwichow vermoedt dat het is ontstaan in december 1572. Volgens een andere theorie is de tekst door een onbekend gebleven dichter geschreven en daarna door Marnix bewerkt. Ook wordt Coornhert wel als auteur genoemd.

Daarnaast is er ook een theorie die zegt dat het Wilhelmus oorspronkelijk in het Duits geschreven zou zijn door vluchtelingen uit de Nederlanden, die met dit lied Duitse vorsten voor de Nederlandse zaak probeerden te winnen. Ondanks het aanhalen van het 'Duitsen bloed' hoeft dit zeker niet het geval te zijn: in de 16e en 17e eeuw had het woord Duits namelijk dezelfde betekenis die Nederlands nu heeft. Pas later kreeg het woord de huidige betekenis. Overigens was Willem van Nassau in de onhistorische betekenis wel degelijk een Duitser: Nassau lag (en ligt nog steeds) in het huidige Duitsland.

Wat betreft de datum staat wel vast dat de tekst geschreven is na mei 1568, omdat de tocht langs de Maas in het lied vermeld wordt, en waarschijnlijk vóór april 1572, omdat de verovering van Den Briel niet bekend lijkt in het lied. Het is hiermee het oudste volkslied ter wereld. Volgens een theorie werd het geschreven tijdens het beleg van Haarlem, dus tussen 7 december en 31 december 1572. (Bron: Wikipedia)

Inhoud

Muziek

Muziekuitgaven

  • Zetting Henk Lemckert (www.liedboekzettingen.nl): download PDF.

Zie het artikel Zie Wilhelmus (melodie) voor een overzicht van alle (orgel)literatuur en koorbewerkingen van deze melodie.

Liturgisch gebruik

Het lied wordt in of na de kerkdienst gebruikt bij speciale gelegenheden zoals de jaarlijkse herdenking van Bevrijdingsdag op 5 mei of bijzondere gebeurtenissen van het Koninklijk Huis.

Hymnologische informatie

de redactie van Lieteboek 2013 maakte de Friese vertaling: Wilhelmus van Nassouwe

Niet alle bundels hebben alle strofen opgenomen:

Culturele informatie

Literatuur

Toelichtingen:

  • Eredienstvaardig 2-1-21 (W.G.Overbosch)
  • Muziek & Liturgie april 2008, blz.17 (W.Kloppenburg)
  • Arie Eikelboom, Hymnologie XIb, blz. 182-227

Externe links