Kerkliedwiki bundels.png
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.
• Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 9.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundel(s):
Zangbundel Joh. de Heer 245
Mogelijk staat het ook in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode 1844
Tekst
Dichter Isaac da Costa
Metrisch 7-6-7-6-7-6-7-6
Muziek
Componist Jan de Liefde
Solmisatie 5-6-7-8-9-1-0-8
Liedbundels
Zangbundel Joh. de Heer 245
Rechten
Tekst Publiek domein
Muziek Publiek domein

Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland is een nationaal christelijk lied geschreven door Isaac da Costa (1798—1860) en staat daarom wel bekend als Da Costa's volkslied. De melodie wordt toegeschreven aan Jan de Liefde.

Opname beluisteren

Tekst

De Zangbundel Joh. de Heer geeft slechts 2 strofen van de 9 strofen die bekend zijn, (de 1e en de laatste).

1
  Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland;
  het bleef bij alle ellende Gods en der vaad'ren pand.
  Zij zullen het niet hebben, de goden van de tijd.
  Niet om hun erf te wezen heeft God het ons bevrijd;
  Niet om hun erf te wezen, heeft God het ons bevrijd.
2
  Met al hun schone woorden, met al hun stout geschreeuw,
  zij zullen ons niet hebben, de goden dezer eeuw.
  Tenzij het woord des zwijgers moedwillig werd verzaakt:
  'k Heb met de Heer der heren een vast verbond gemaakt.
  'k Heb met de Heer der heren een vast verbond gemaakt.

Ontstaan

'Aan Nederland in de lente van 1844'. Gepubliceerd in: Kompleete dichtwerken, deel 3. 1863.

Het lied is ontleend aan een bekende tijdzang van Da Costa "Aan Nederland, in de lente van 1844." Het jaar 1844 begon, toen donkere wolken zich over ons land hadden samengepakt. Er braken burgertwisten uit en ons volk leefde in haat en nijd, wrevel en onwil. Het ergste was te vrezen. Maar gelukkig, de zon brak door de wolken heen. De dichter brengt hiervoor lof en dank aan God en legt de nadruk er op, dat we de Heere steeds voor ogen moeten stellen en Hem vragen: Wat wilt Gij dat we doen zullen? Met alle bezwaren en moeilijkheden moeten we tot God gaan, om door Hem geleerd, geleid en onderwezen te worden.

Na de lange regels (de goed-gebouwde en met sterke statigheid gedragen alexandrijnen) volgen 9 coupletten elk van 8 regels, die een heel andere maat hebben. Op deze woorden is een compositie gemaakt door Jan de Liefde (1814—1869.)

Inhoud

Enkele bekende strofen uit dit gedicht/lied:

Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland! Het bleef bij alle ellenden Gods en der Vaad'ren pand! Zij zullen het niet hebben, de goden van de tijd! Niet om hun erf te wezen heeft God het ons bevrijd!

Of zijn het and're tijden, die God voor ons bewaart? een donk'rer lotsbedeling, waarvoor wij zijn gespaard? Gij zult ons toch niet hebben, gij goden van de tijd! wij blijven ook bij 't zinken der Vaad'ren God gewijd!

Een natie kan ook vallen met eer, ter eer van Hem, en houden, heilgelovig, Zijn standaard vast met klem. Daar zijn ook martelaren op Neerlands grond geweest! geen Lodewijk, geen Willem, heeft ooit die keus gevreesd.

Met al hun schone woorden, met al hun stout geschreeuw, — zij zullen ons niet hebben, de goden dezer Eeuw! Tenzij het woord des Zwijgers moedwillig werd verzaakt: 'k Heb met de Heer der heren een vast verbond gemaakt."

Muziek

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Het lied is ook te vinden in de bundel De Lofstem, zangbundeltje voor Christelijke Scholen, Huisgezinnen, Zondagsscholen, Jongelings- en Jongedochtersvereenigingen. Deze bundel is samengesteld door J.C. de Puy. Voor het eerst verschenen in 1874. Het lied staat in de zesde druk (1898) op pagina 52-53. In deze bundel staan vier strofen opgenomen.

Strofe 1
Zij zullen het niet hebben, ons oude Nederland (zie boven).

Strofe 2
Zij zullen ons niet hebben, zoolang de IJ-stad staat,
Zoolang in Neerlandsch’ ad’ren, Eén polsslag Neêrlands slaat.
Zoolang er heldenzielsgloed, In Naussous Telgen blaakt,
Zoolang de geest des Zwijgers, Op ’t Delftsche praalgraf waakt. (bis)

Strofe 3
O zijn het and’re tijden, Die God voor ons bewaart?
Een donk’rer lotsbedeeling, Waarvoor wij zijn gespaard?
Gij zult ons toch niet hebben, Gij goden van den tijd;
Wij blijven ook bij ’t zinken, Der Vaad’ren God gewijd. (bis)

Strofe 4
Met al hun schone woorden, met al hun stout geschreeuw (zie boven, 2.)

Culturele informatie

Literatuur

Over de tekst: Secundaire literatuur: 'Aan Nederland in de lente van 1844'. Een woord des Dichters, uitgesproken in de vijftiende openbare vergadering der tweede klasse van het Koninklijk Nederlandse Instituut, op den 9 April, door Mr. Isaac da Costa.’ Gepubliceerd in: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1844.

Externe links

  • Volledige tekst van Da Costa op Delpher.nl.
  • Artikeltje over de tekst in Daniel, 22 augustus 1952 (zie Digibron.
  • Bron voor De Lofstem: op Delpher.nl.