Kerkliedwiki bundels.png
Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki bevat nu informatie over ruim 4.500 liederen! Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas.

De eerstvolgende Kerkliedwiki Schrijfdag wordt gehouden in het najaar 2019 in Amersfoort (datum volgt). Aanmelden of meer weten over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Genootschap Laus Deo, Salus Populo

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Genootschap Laus Deo, Salus Populo

Het kunstgenootschap Laus Deo, salus populo was een geheim genootschap dat alleen was opgericht was om een nieuwe Psalmberijming tot stand te brengen. Het werd gevormd door acht dichters. Zij maakten ‘Het Boek der Psalmen, opnieuw in dichtmaat gebragt door Laus Deo, salus populo’ in 1760. Een aanzienlijk deel van deze psalmen werd opgenomen in de Psalmberijming van 1773.

Leden

Het genootschap bestond uit: Lucretia Wilhelmina van Merken, Nicolaas Simon van Winter, Lucas Pater, en Pieter Meijer (die als dichter slechts weinig heeft geleverd, maar als aanzienlijk boekverkoper het invloedrijk middelpunt van een letterkundigen kring was). Verder Bernardus de Bosch, een in zijn tijd zeer geëerd en geliefd kunstbeschermer, die geheel voor de kunst leefde en dat o.a. toonde door zijn vier deel vloeiende, meest goedmoedig bespiegelende en stichtelijke ‘Dichtlievende Verlustigingen’ (1742-1788), waarin ook zeer omvangrijke dichtwerken, als ‘De geboorte des Heilands’ en andere ‘Bybelsche keurstoffen’ voorkomen, die van een streven naar eenvoudigheid van uitdrukking getuigen en van verdraagzame vroomheid in de geest van de Doopsgezinden, waar allen toe behoorden en dus ook zijn jongere vriend Antony Hartsen (geb. 1719 † 1782), een Amsterdamsch koopman, die zijn vertaalde ‘Tooneelpoëzy’ in 1779 verzameld uitgaf.

Vertalers van toneelstukken waren ook de beide jongere leden van het Kunstgenootschap: Henri Jean Roullaud (geb. 1729 † 1790) en Harmanus Asschenbergh (geb. 1726 † 1792), wiens ‘Poëzy’ pas in 1793, dus na zijn dood, in een bundel werd uitgegeven, maar zich van die der overigen onderscheidde door het luimig karakter der vele ‘Vertelsels en Puntdichten’ of berijmde anekdoten, die erin voorkomen en hem nog lang populair hebben doen blijven. Gedichten althans als ‘De Snoek’, ‘De filozofische eiren’, ‘De Winkelier en de Schilder’, ‘De Predikant en de Chirurgyn’, ‘De twee meiden’, ‘De mantel in den lomberd’, enz. lieten zich door vloeiende versbouw en losse, ongezocht grappige verhaaltrant gemakkelijk in het geheugen opnemen.

Aanleiding

De leden van ‘Laus Deo, salus populo’ begonnen samen aan een psalmberijming, omdat zij aldus het voorwoord bemerkten ‘dat de bestierders der Kerke eenpaariger begonnen te zien, hoe noodzakelyk het was, Datheens rymwerk voor een beter te verwisselen, te meer dewyl sedert vele jaaren onze Nederduitsche dichtkunst zodanig in zuiverheid van taal, schoonheid van gedachten en krachtige behandeling van zaaken was toegenomen, dat zy hierin voor geene uitheemsche behoefde te wyken’. ‘Noodzaaklyk onzes oordeels was het’, zo gaan zij verder, ‘dat de psalmen op nieuw in dichtmaat gebragt wierden, dewyl van het groot getal, dat voorhanden is, de meeste gebrekkelyk en reeds verouderd zyn en de beste op verre na niet kunnen voldoen tot een algemeen en openbaar gebruik’.

Werkwijze

Het was de regel in het Kunstgenootschap, dat iedere psalm door alle leden werd berijmd en dat dan op de bijeenkomsten de beste berijming (zo nodig met verbeteringen) werd aangewezen om in de bundel te worden opgenomen. Zo kwamen in de bundel:

  • 39 berijmingen van Van Merken,
  • 25 van Van Winter,
  • 19 van Pater,
  • 19 van Roullaud,
  • 16 van Hartsen,
  • 15 van Asschenbergh,
  • 11 van De Bosch,
  • 6 van Meijer,

Maar de namen der dichters werden nog lang geheim gehouden en zijn pas veel later bekend geworden.

Publicatie

Deze bundel werd onmiddellijk zo gunstig ontvangen, dat er al in 1761 een tweede druk van verschijnen moest, en in het volgende jaar voerden de Doopsgezinden te Amsterdam, zowel die van de Zon als die van het Lam, hem in. Dat deed ook in 1761 de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam, die daarin al spoedig ook door de andere gemeenten van die broederschap gevolgd werd, omdat zij er toen aan waren gaan twijfelen, of de zaak in de Gereformeerde kerken wel ooit tot stand zou komen.

Officiële psalmberijming

De invoering van een nieuwe berijming bij de Gereformeerde kerken was intussen al sinds 1754 telkens in de classicale vergaderingen en provinciale synoden ter sprake gebracht, maar evenals bij de invoering van een nieuwe bijbelvertaling indertijd was gebeurd, kon ook een nieuwe psalmberijming slechts worden ingevoerd onder goedkeuring en op last van 'Hunne Hoogmogenden, de Heeren Staten-Generaal'. Tot deze moest men zich dus wenden, en men wendde zich ook tot de Stadhouder en de raadpensionaris Pieter Steyn, en in mei 1762 werd door de Staten-Generaal inderdaad in beginsel tot de invoering besloten. Maar, welke berijming zou gekozen worden? Aanvankelijk kwamen die van Ghysen en Halma het meest in aanmerking, maar spoedig gaf men aan die van Voet en van ‘Laus Deo, salus populo’ boven de berijming van Halma terecht de voorkeur, zodat uit deze beide en uit die van Ghysen een keus zou worden gedaan.

Daartoe werden eindelijk in Mei 1772 negen predikanten door verschillende provinciale synoden aangewezen. Van deze hebben zich drie ook als dichters bekend gemaakt, namelijk Ahasuerus van den Berg, toen predikant te Barneveld, later te Arnhem, Rutger Schutte, predikant te Amsterdam, en Johannes van Spaan, predikant te 's-Gravenhage, terwijl Josua van Iperen, predikant te Veere, onder de afgevaardigden bijzondere vermelding verdient, omdat hij in 1777 in twee delen een ‘Kerkelyke Historie van het Psalm-gezang der Christenen’ uitgaf, waarin hij inzonderheid een zeer uitvoerige geschiedenis der ‘verbeterde Nederduitsche psalmberyminge uit echte gedenkstukken saamgebragt’ heeft.

Om te bewijzen dat het werk op last der Staten-Generaal geschiedde, woonden twee afgevaardigden der Staten de vergaderingen bij met hunne beide amanuenses, Mr. Jacob Visser en Mr. Pieter Leonard van de Kasteele, die toen nog een jong advocaat was, maar zich in de volgende periode als een van de toongevende dichters, ook op het gebied van het kerkgezang, zou doen kennen.

In Januari 1773 werd de arbeid aangevangen. Met grote zorg werd de keuze gedaan, waarbij op allerlei punten, maar in het bijzonder op de zuiverheid der taal, werd gelet, en waarbij ook de uitgekozen berijmingen nog dikwijls verschillende verbeteringen ondergingen. Door de grote ijver der afgevaardigden was het gewichtig werk al in juli van hetzelfde jaar voltooid. Van de 150 psalmen werden er slechts 10 uit de bundel van Ghysen gekozen. De meeste werden genomen uit die van Voet, namelijk 82, en daaronder zeer voortreffelijke berijmingen, zoals van Psalm 1: ‘Welzalig hy, die in der boozen raad niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat, Ps. 8: ‘Heer, onze Heer, grootmagtig Opperwezen’ (bij Voet: ‘o, eeuwig Opperwezen’), Ps. 25: ‘'k Hef myn ziel, o God der gooden, tot U op, Gy zyt myn God!’ Ps. 65: ‘De lofzang klimt uit Sions zaalen tot U met stil ontzag’ (bij Voet: ‘Nu klinkt uw lof door Sions zaalen in stilheid, met ontzag’), Ps. 68: ‘De Heer (bij Voet: ‘Ja, God’) zal opstaan tot den stryd’, Ps. 84: ‘Hoe lieflyk, hoe vol (bij Voet: ‘vol van’) heilgenot, o Heer, der legerschaaren (bij Voet: ‘heierschaaren’) God, zyn my uw huis en tempelzangen’, Ps. 89: ‘'k Zal eeuwig zingen van (bij Voet: ‘'k Zal zingen zonder eind’) Gods goedertierenheen’, Ps. 103: ‘Loof, loof den Heer, myn ziel, met alle krachten (bij Voet: ‘Loof nu, myn ziel, den Heer met all' uw krachten’), Ps. 118: ‘Laat ieder 's Heeren goedheid looven’ (bij Voet: ‘Elk loof den Heer met heilig vreezen’) en Ps. 119: ‘Welzalig zyn d' oprechten van gemoed’.

Uit de bundel van ‘Laus Deo, salus populo’ kozen de afgevaardigden er 58, waaronder 17 van Van Merken, o.a. Ps. 42: ‘'t Hygend hert, de jagt ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de frissche (eerst: ‘der verkwikbre’) waterstroomen, dan myn ziel verlangt naar God’, Ps. 90: ‘Gy zyt, o Heer, van d'allervroegste jaaren voor ons geweest (eerst: ‘voor Jacobs huis’) een toevlugt in gevaaren’, Ps. 91: ‘Hij, die op Gods bescherming wacht’ (eerst: ‘Gij, die op 's Heeren bystand wacht’), Ps. 104: ‘Waak op, myn ziel, loof d'Oppermajesteit!’ en Ps. 146: ‘Prys den Heer met blyde galmen’.

Onder de verder gekozenen waren er 7 van Van Winter, 8 van Roullaud, 5 van De Bosch, 9 van Pater, waaronder Ps. 19: ‘Het ruime hemelrond vertelt met blyden mond (eerst: ‘meldt elk met vollen mond’) Gods eer en heerlykheid’ en Ps. 33: ‘Zingt vrolyk, heft de stem naar boven’ (eerst: ‘Verheft uw stem naar 't hof der hoven’). Van Asschenbergh koos men er 7, o.a. Ps. 95: ‘Komt laat ons samen Isrels Heer, den rotssteen van ons heil, met eer, met godgewyden zang ontmoeten’ (eerst: ‘Men loov' met zangen d' Opperheer, men juich de rots des heils ter eer! Laat ons met vreugd tot God genaaken!’). Van Hartsen nam men er 3 op o.a. Ps. 127: ‘Vergeefs op bouwen toegelegd’ en van Meijer 2, o.a. Ps. 115: ‘Niet ons, o Heer, niet ons, Uw naam alleen’ (eerst: ‘Niet ons, niet ons, Uw naam, o Heer, alleen’).

Invoering en Psalmenoproer

Bij de invoering van de nieuwe bundel in 1774 waren nog vrij wat moeilijkheden te overwinnen. Enkele predikanten, enige voorzangers en vele gemeenteleden verklaarden er zich hardnekkig tegen, vooral in Zeeland, en ook wel elders, zoals onder de vissersbevolking van Vlaardingen en vooral van Maassluis, waar zelfs een ernstig oproer ontstond met huizenplundering en andere gewelddadigheden, en waar nog jaren lang een gespannen toestand bleef heersen; maar over het algemeen was men toch met de nieuwe psalmen zeer ingenomen. Verscheidene predikanten hielden feestredes, die voor een deel ook gedrukt werden. Op sommige plaatsen werd de nieuwe berijming met een kerkelijk muziekfeest ingewijd. Vele lofdichten werden er uitgegeven en een gedenkpenning werd geslagen met het zo volkomen toepasselijk opschrift: ‘David cantico suo redditus throno’, want inderdaad de Hebreeuwsche psalmdichter was nu weer op de troon van het lied hersteld.

Voetnoten

  • Bron: Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde V. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (3). De erven F. Bohn, Haarlem 1924, tweede druk.
  • Het Psalmenoproer is in een roman beschreven door Maarten 't Hart.