Kerkliedwiki bundels.png
Wie ons steunt met € 10,- krijgt een leuk aandenken: de unieke Ubi-cari-tas
info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki verzorgt een wekelijkse podcast: Luistertroost! Onze alternatieve omgang met het kerklied, nu samen zingen in de kerk niet kan. Zo houden we de lofzang en de troost van liederen gaande.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Mijn geroep uit angst en vrezen

Uit Kerkliedwiki
(Doorverwezen vanaf Zou God Zijn genâ vergeten?)
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundel(s):
Zangbundel Joh. de Heer 371
Mogelijk staat het ook in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Mijn geroep uit angst en vrezen
Psalm 77
Schrijver Asaf (volgens opschrift)
Type Klaagzang
Latijnse titel Voce mea ad Dominum
Vulgaat Psalm 76
Berijming Psalmberijming van 1773
Tekst
Dichter Johannes Eusebius Voet
Metrisch 8-8-7-7-8-8-7-7
Muziek
Componist Louis Bourgeois
Melodie Psalm 86
Solmisatie 2-2-1-2-3-4-3-2
Liedbundels
Zangbundel Joh. de Heer 371
Psalmberijming van 1773 77

Mijn geroep uit angst en vrezen is de beginregel van Psalm 77 in de Psalmberijming van 1773. De Zangbundel Joh. de Heer heeft daarvan de strofen 6 ( Zou God zijn genâ vergeten ) en 7.

Opname beluisteren

Tekst

1 Mijn geroep, uit angst en vreezen,
Klimt tot God, het Opperwezen,
God, die, in mijn ongeval,
D’ ooren tot mij neigen zal.
’k Zocht Hem in mijn bange dagen;
’k Bragt de nachten door meet klaagen;
’k Liet niet af mijn hand en oog
Op te heffen naar omhoog.

2 ’k Schatte mij geheel verlooren;
’k Mogt van geen vertroosting hooren;
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd’ ik niet dan klagt op klagt;
Peinsd’ ik aan mijn vruchtloos kermen,
Vruchtloos roepen om ontfermen,
Dacht ik, hoe God anders helpt,
Mijne ziel werd overstelpt.

3 Slaap weêrhieldt Gij van mijn oogen;
’k Was verslagen, neêrgeboogen,
En, verstomd door al ’t verdriet,
Wars van menschen, sprak ik niet.
’k Overdacht al d’ oude dagen,
Jaaren, eeuwen, gunsten, plaagen,
En wat immer aan mijn ziel
Van Gods hand te beurte viel.

4 ’k Dacht, hoe ’k God met vreugd voor dezen
Op mijn snaaren had gepreezen;
’k Overleid’ in diepe smart,
’s Nachts met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht de reden,
Waarom God die tegenheden
Mij in zulk een mate zond,
En wat mij te duchten stond.

5 Zou de Heer zijn gunstgenooten,
Dacht ik, dan altoos verstooten?
Niet goedgunstig zijn voortaan?
Nimmer ons meer gadeslaan?
Zouden zijn beloftenissen
Verder haar vervulling missen,
Vruchtloos worden afgewacht,
Van geslachte tot geslacht?

Pauze

6 Zou God zijn genaê vergeeten?
Nooit meer van ontferming weeten?
Heeft Hij zijn barmhartigheên
Door zijn gramschap afgesneên?
’k Zei daarna: „dit krenkt mij ’t leven:
„Maar God zal verandring geeven;
„D’ Allerhoogste maakt het goed:
„Na het zuure geeft Hij ’t zoet.”

7 ’k Zal gedenken, hoe voordezen
Ons de Heer heeft gunst beweezen;
’k Zal de wondren gadeslaan,
Die Gij hebt van ouds gedaan:
’k Zal naauwkeurig op uw werken,
En derzelver uitkomst merken,
En, in plaats van bittre klagt,
Daar van spreeken dag en nacht.

8 Heilig zijn, o God! uw wegen;
Niemand spreek’ uw hoogheid tegen!
Wie, wie is een God als Gij,
Groot van magt en heerschappij?
Ja Gij zijt die God, die d’ ooren
Wondren doet op wondren hooren;
Gij hebt uwen roem alom
Groot gemaakt bij ’t heidendom.

9 Door uw’ arm en alvermogen
Hebt Gij Isrel uitgetoogen;
Jakobs kindren, Josefs zaad
Vrij gemaakt van Faroos haat.
’t Water zag, o God! U komen;
’t Water zag U, en de stroomen
Steigerden vol schrik omhoog;
D’ afgrond werd beroerd, en droog.

10 Dikke wolken gooten water;
Hooger zwerk gaf fel geklater;
Uwe pijlen, zoo geducht,
Vloogen vlammend door de lucht.
’t Zwaar geluid der donderslagen
Deed het al in ’t ronde waagen;
En de weereld werd verlicht,
Door herhaalden bliksemschicht.

11 D’ aarde sloeg van schrik aan ’t beeven,
Toen z’ U langs uw pad zag streeven,
Zee en groote waters door,
In het nooit ontdekte spoor:
Toen G’ uw volk den weg bereiddet,
Daar Gij ’t als een kudde leiddet:
Mozes en Aärons hand
Bragt hen dus naar ’t heilig land.

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

De Zangbundel Joh. de Heer biedt de strofen 6 en 7 vanaf de 1e uitgave (1905).

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje.
Voor meer beginnetjes zie de categorie Kerkliedwiki:Beginnetje lied