Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 9.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 9.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas. Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Veertig dagen, veertig nachten

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Veertig dagen, veertig nachten
Het gouden kalf
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode 1966
Tekst
Dichter Tom Naastepad
Bijbelplaats Exodus 32
Deuteronomium 9:15-29
Deuteronomium 10:1-11
Johannes 1:29-31
Metrisch 8-7-8-7-8-3-8-3
Muziek
Componist Ignace de Sutter (a)
Willem Vogel (b)
Solmisatie 1-5-4-5-4-3-2-1 (a)
2-3-4-5-6-1-7-6 (b)
Gebruik
Kerkelijk jaar Veertigdagentijd
Liedbundels
De woorden gezongen 15 (a)
Het lied op onze lippen 27A (a), 27B (b)
Zingend Geloven 1-12 (a)

Veertig dagen, veertig nachten is een lied voor de Veertigdagentijd met tekst van Tom Naastepad (1921-1996) en met een melodie van Ignace de Sutter (1911-1988). Er is ook een melodie van Willem Vogel (1920-2010). Dit ‘lied van de doodzonde’ heeft als titel Het gouden kalf.

Opname beluisteren

Tekst

De tekst is auteursrechtelijk beschermd en kan daarom hier niet worden weergegeven.

Ontstaan

Dit lied werd geschreven bij de geschiedenis van het gouden kalf uit Exodus 32. Het ongeduldige volk, dat te lang moet wachten op de terugkeer van Mozes, vraagt aan hogepriester Aäron: ‘Welaan, maak ons goden, die vooor ons uitgaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet, wat er van hem geworden is’ (Exodus 32:1). In strofe 1 wordt dit eigengereide ongeduld samengevat. Voor de mensen ‘daar beneden’ is ‘de hoge berg’, waar Mozes op God heeft gewacht, te ver van hen vandaan. Mozes, de man Gods, is uit het oog en uit het hart en ‘… zij waren hem vergeten / en verdwaald’. Geduld was nodig geweest, want God neemt de tijd om ‘aan de kudde zonder land’ (strofe 2) – het volk is nog op doortocht – het ‘gepaste’, ‘het beste van zijn hand’ te geven, ‘maar zij hebben zijn erbarmen / niet gehoord’. De mensen ‘daar beneden’ zijn kortzichtig en hebben zich verslingerd aan de liturgie van ‘het beest’, het gouden kalf. En voor zo’n zichtbaar gemaakte god hebben zij veel over, namelijk ‘al hun sieraad en vermogen’ (strofe 3). In hun verblinding houden zij deze valse eredienst voor de ware. Het beeld van het beest, ‘die woedende gestalte / kreeg Gods naam’. Echt zicht op de aanwezigheid van de onzichtbare God wordt pas verkregen, als niet de domme oerkracht en de spectaculaire macht ‘van een stier’ als God wordt vereerd, maar de zachte kracht van een weerloos dier als een lam. In de zachtmoedige gestalte van het Lam Gods (Agnus Dei) dat de zonden der wereld wegdraagt, wordt de onzichtbare God herkenbaar. God wil bij ons zijn ‘als het Lam in ons midden’. Niet meer en niet minder. De achtregelige strofen worden samengevoegd door middel van een rijmschema dat beurtelings slepend (a en c) en staand rijm (b en d) vertoont. Aldus: a b a b c d c d. (Bron: Documentatieblad bij Zingend Geloven, I-12).

Inhoud

De beginregels van de strofen luiden:

  • 1. Veertig dagen, veertig nachten
  • 2. Aan de mensen daar beneden
  • 3. Al hun sieraad en vermogen
  • 4. Veertig dagen, veertig nachten.

Muziek

Meestal schuwt Ignace de Sutter het gebruik van grote intervallen, die komen in dit lied dan ook alleen aan het begin voor. De Sutter heeft een voorkeur voor een melodie met een zgn. secundegang en – vaak – de terts. Zo ook in deze melodie. Na het openingsbod van een kwint volgen uitsluitend secundes in de a- en b-regels, verbonden door een terts. Met de herhaling van het rijm volgt de melodie op de voet met eveneens een herhaling. In de tweede liedhelft (rijm: c d c d) beginnen de regels 5 en 6 met een motief, dat sequensmatig stijgt, de laatste keer ritmisch vergroot. Regel 7 lijkt hiermee door te gaan, maar dat is schijn: het dalende aspect van de eerste regel plus de eerste drie noten van de tweede regel besluiten het lied. Anders gezegd: vanaf de topnoot van het lied (c’’) is er enkel letterlijk hergebruik, door vanaf de vierde noot van de eerste regel te citeren. De omvang van deze melodie in e kl.terts is een septime (d’-c’’). Ritmisch zijn de afzonderlijke regelparen per strofehelft gelijk, met het rijm mee. (Bron: Documentatieblad bij Zingend Geloven I-12).

Bewerkingen om te spelen

In april 1981 schreef Willem Vogel een viertal orgelverzen over dit lied, als bijdrage aan het Liber Amicorum, dat Ignace de Sutter ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag aangeboden kreeg. Die zettingen staan vermeld op p. 85-89. [Liber amicorum prof. Ignace De Sutter 1911-1981, red.: Jos D'hollander e.a.]

Hymnologische informatie

Het ritme van de melodie van Ignace de Sutter is gelijk aan die van het lied Gelijk als de witte zwanen.

Literatuur